Is de westerse cultuur superieur? Het exotiseringsprobleem

National Geographic cover 1888 first edition 2018 april race issue
Links: de allereerste editie van National Geographic in oktober 1888. Rechts: het aankomende aprilnummer, 2018. (Bron: National Geographic Society)

Het Amerikaanse tijdschrift National Geographic geeft het zelf toe: ze zijn racistisch geweest. In april wordt er een speciale editie over ras uitgegeven, ‘The Race Issue’ genaamd. In de aanloop van deze speciale editie hebben ze een aantal artikelen op de website gepubliceerd, waarvan het opvallendste artikel misschien wel het artikel is waarin ze verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen racisme.

In For Decades, Our Coverage Was Racist. To Rise Above Our Past, We Must Acknowledge It kijken ze terug op hun 130-jarige geschiedenis. Hiervoor hebben ze een professor in de arm genomen, John Edwin Mason, die in de National Geographic-archieven is gedoken. John Edwin Mason is gespecialiseerd in Afrikaanse geschiedenis en fotografiegeschiedenis. Hij ontdekte dat het tijdschrift zich tot aan de jaren ’70 schuldig maakte aan bepaalde praktijken, waarvan sommige subtiel, maar andere ronduit racistisch zijn. Zo werden Afro-Amerikanen tot in de jaren ’40 geweigerd als abonnee op het tijdschrift. Ook de portrettering van zwarten was altijd die van een schaars geklede, primitieve wildeling in een ver land, terwijl zwarten in Amerika zelden werden erkend.

National Geographic is altijd een tijdschrift geweest dat de lezers ervan in staat heeft gesteld andere landen, culturen, dieren en planten te leren kennen, zonder er daadwerkelijk verre reizen voor te hoeven maken. Voordat televisie en internet alom toegankelijk waren, was dit tijdschrift voor velen de enige manier om in aanraking te komen met andere culturen. Dat brengt een zekere invloed en verantwoordelijkheid met zich mee.

Die verantwoordelijkheid nemen ze nu door te erkennen dat ze vanaf het begin van het tijdschrift in 1888 tot aan de jaren ’70 van de 20e eeuw niet altijd op een juiste manier andere culturen hebben geportretteerd. Ze geven toe dat ze zich schuldig hebben gemaakt aan stereotypering, selectieve representatie en ‘exotisering’ van bepaalde culturen.

Wat John Edwin Mason ontdekte is dat National Geographic inheemse culturen (tot de jaren ’70) vrijwel altijd portretteerde in clichés. Hij vond een paar opvallende patronen in fotoreportages. Enkele veel terugkerende patronen die hij ontdekte waren: 1) dansende stamleden, 2) inheemse mensen geïnteresseerd in westerse technologie en 3) prachtige exotische Austronesische vrouwen. Als dit soort culturen telkens weer op deze manier wordt neergezet, geeft dat de lezer niet alleen een eenzijdig beeld van de cultuur, maar draagt dat ook bij aan een wij-zij-gevoel. Vooral het tweede thema van de primitieveling die een stukje techniek bewondert, versterkt de dichotomie van ontwikkelde versus onderontwikkelde cultuur.

Drie foto's uit 1962. (Foto's van National Geographic Creative)
Drie foto’s met vaak terugkerende thema’s, 1962. (Foto’s van National Geographic Creative)

Kan een cultuur inferieur of superieur zijn?

Natuurlijk is met een gezonde interesse in andere culturen niets mis, maar hoe het ook anders kan, heeft Margaret Mead laten zien. In grofweg dezelfde periode dat National Geographic aan exotisering en stereotypering deed, was Margaret Mead werkzaam als antropoloog. Van 1928 tot 1978 deed ze onderzoek naar primitieve culturen.

In de jaren ’20 studeerde Mead onder begeleiding van Franz Boas, de grondlegger van de contemporaine antropologie. De jaren ’20 waren tevens hoogtijdagen voor het racistische gedachtegoed van het sociaal darwinisme en de eugenetica (ofwel de studie van rasverbetering), waar in de jaren ’30 het nationaalsocialisme van Hitler op werd gebaseerd. Boas en Mead waren hier felle en uitgesproken tegenstanders van.

Waar Margaret Mead ook bekend om staat is haar kritiek op de westerse cultuur. Ze daagde het idee dat de westerse cultuur superieur is uit. De antropologen die Boas en Mead voorgingen zagen de ontwikkeling van de beschaving als een lineaire lijn: een ontwikkeling van barbaars naar beschaafd. De westerse cultuur werd gezien als een (eind)bestemming, die primitieve culturen nog niet bereikt hadden.

De westerse cultuur wordt door velen wel gezien als de modernste cultuur, omdat we vergevorderde wetenschap en technologische ontwikkelingen hebben. Franz Boas suggereerde daarentegen dat de wereld wemelt van een diversiteit aan culturen, die ieder hun eigen unieke perspectieven, inzichten én tekortkomingen hebben. De westerse beschaving was in zijn ogen niet het hoogst haalbare, maar simpelweg slechts een van de voorbeelden van wat er van een cultuur kan worden.

Geen enkele cultuur is superieur of inferieur. Wellicht is het beter om een ‘ontwikkelde’ cultuur te zien als een ‘complexe’ cultuur. Zowel Boas en Mead zagen de westerse cultuur niet als beter dan andere culturen. Andersom vonden ze andere culturen ook niet beter dan de westerse. Mead was overtuigd van het belang van beschouwing van andere culturen, omdat elke cultuur iets unieks bij te dragen heeft. De schoonheid in de verschillen is niet dat één bepaalde cultuur het beter voor elkaar heeft en als voorbeeld geldt voor andere culturen, maar dat we allemaal van elkaar kunnen leren.

Margaret Mead Samoa girl 1925 1948
Links: Margaret Mead met een Samoameisje in 1925. Rechts: Margaret Mead in 1948.

Mead was de eerste antropoloog die in cross-cultureel perspectief naar de menselijke ontwikkeling keek. Wat ze wilde onderzoeken was of samenlevingen konden veranderen door de manier waarop kinderen worden opgevoed te veranderen. Haar theorie was dat cultuur een veel grotere invloed heeft op individuele persoonlijkheden dan voorheen altijd werd gedacht. Sociale verwachtingen en de normen en waarden van de cultuur waarin je opgroeit hebben een grotere invloed op de individuele psyche dan biologische factoren als ras en geslacht.

Meads belangrijkste focus was de ontwikkeling van kinderen en gedrag van adolescenten. Ze onderzocht drie verschillende culturen in Nieuw-Guinea: de Arapesh, de Mundugumor en de Tchambuli. In deze drie culturen waren onder andere de rollen die mannen en vrouwen innamen heel verschillend. Door de grote contrasten in deze culturen kwam ze tot de conclusie dat de menselijke natuur maakbaar is. Mead vond dat gedrag werd bepaald door cultuur en socialisatie, en in veel mindere mate door biologie. Dit heet ‘cultureel determinisme’ en staat lijnrecht tegenover ‘biologisch determinisme’.

We must recognise that beneath the superficial classifications of sex and race the same potentialities exist, recurring generation after generation, only to perish because society has no place for them. – Margaret Mead

Inmiddels heeft National Geographic natuurlijk al een paar decennia een ander beleid en benadert en portretteert andere culturen op een respectvollere manier. Toch is het goed dat ze de aandacht richten op hun verleden en aanwijzen wat er beter had gekund. Zoals ze zelf uitleggen in Why We’re Devoting an Entire Issue of National Geographic to Race: het is niet altijd makkelijk om je fouten te erkennen, maar om het heden te begrijpen moet je je verleden erkennen.

Meer lezen:

Een gedachte over “Is de westerse cultuur superieur? Het exotiseringsprobleem

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s