1953 KitchenMaid blue kitchen

De val van de keukenmuur

Ik dacht eens een kort en makkelijk stuk te schrijven waarin ik mijn ongezouten mening over de onzinnigheid van open keukens zou spuien. Dagen later was ik diep verwikkeld geraakt in de geschiedenis van de keuken…

De 5 W’s (en 1 H) van de open keuken

Wat? De open keuken. Waar? OVERAL. Wie? IEDEREEN.

En hoe, wanneer en (in godsnaam) waarom? Oppervlakkig gezien is de vraag wanneer de open keuken is ontstaan ook nog wel makkelijk te beantwoorden. De open keuken is ongeveer 50 jaar oud en hoe hij is ontstaan is door de muur tussen de keuken en de eetkamer weg te halen of weg te laten (dit zal een grote verrassing zijn). Hier kom ik later nog op terug.

Om te begrijpen waar de open keuken vandaan komt, het in godsnaam waarom, moet je eerst weten waar de dichte keuken vandaan komt.

Een open keuken is overal en lijkt niet maar niet in populariteit af te nemen. In tegenstelling tot de meeste andere jaren 70-elementen is het nog steeds het toppunt van moderne wooninrichting. En dat terwijl er ooit, ook nog niet zo gek lang geleden, werd gegruweld van koken en wonen in dezelfde ruimte. Dat was iets van de allerlaagste stand. De stand die simpelweg geen ruimte had voor een aparte keuken. Het werd gezien als onhygiënisch en lawaaierig. Al die etensdampen en die kletterende potten en pannen, dat wil je toch niet in de wóónkamer? Dus als er geld voor was, dan was er een aparte keuken. Maar ook dit was nog niet de keuken zoals we hem nu kennen.

Laten we nog wat verder terug gaan in de tijd en beginnen bij het begin van de ‘moderne’ keuken.

De eerste keukenrevolutie: hygiëne

Het is belangrijk om in gedachten te houden dat er een groot onderscheid was tussen enerzijds de arbeidersklasse en anderzijds de middenklasse en elite. Niet alleen qua keukens, maar aangezien we het er nu over hebben…

Tot eind 19e eeuw waren keukens alleen in rijke huishoudens te vinden. Mensen uit de lagere klassen kookten op de kachel in de woonkamer. Hoe rijker de persoon, hoe groter het huis en hoe meer kamers in het huis. Bouwmaterialen werden voorafgaand aan de industriële revolutie ambachtelijk vervaardigd en waren dus in die tijd ook kostbaarder. Muren waren kostbaar. (Later, in de tweede helft van de 20e eeuw, werd dit trouwens ook een argument voor open keukens: je bespaart immers kosten als je een muur minder hoeft te plaatsen.)

Wat ook nog meespeelde was dat de elite het huishouden niet zelf verzorgde, maar daar personeel voor in dienst had. Er werd in die tijd getracht het personeel zo veel mogelijk gescheiden te houden van het gezin. De keuken was het domein van de dienstboden en de inrichting werd puur bepaald door functionaliteit en nuttigheid.

keuken Amerika 1906
Herkenbaar als keuken door fornuis en keukengerei op de planken, maar van de inbouwkeuken zoals we hem nu kennen is nog geen sprake. Keuken in Amerika, 1906. (Bron)

In de tweede helft van de 19e eeuw vond de industrialisatie in Nederland plaats. In feite begon het allemaal met de industrialisatie. Technische vooruitgang zorgde niet alleen voor goedkopere productie van bouwmaterialen, maar ook voor stromend water, gasfornuizen en elektrische fornuizen en verbeterde conserveringsmogelijkheden van levensmiddelen. Dit was een gigantische stap vooruit.

Naast de technische vooruitgang werd hygiëne een ding. De hygiënische omstandigheden in Europa waren tot in de 19e eeuw nog zeer erbarmelijk. Steden hadden open riolen, de meeste mensen wasten zich zelden en men maakte gebruik van water waar ook menselijk afval in werd gedumpt, met alle gevolgen van dien. Het is misschien moeilijk voor te stellen dat de omstandigheden omtrent hygiëne tot ongeveer 120 jaar geleden nog zo middeleeuws waren, maar ondanks dat Antoni Van Leeuwenhoek al in de 17e eeuw het bestaan van bacteriën had ontdekt, was de link tussen hygiëne en gezondheid nog niet gelegd.

Rond 1900 veranderde dat door het werk van Louis Pasteur. Pasteur ontwikkelde zijn “theorie van de ziekteverwekker”, die niet alleen voor de medische wereld vanzelfsprekend ontzettend belangrijk was, maar ook in het alledaagse leven. Het begon in alle lagen van de samenleving langzaam door te dringen dat hygiëne ook in het huishouden een rol speelde, en dat vooral de keuken potentieel een broedplaats van ziekteverwekkers was.

Antoni Van Leeuwenhoek door Jan Verkolje en Louis Pasteur door Pierre Lamy Petit
Van Leeuwenhoek: “Kijk nu, zeer kleine beestjes.” Pasteur, twee eeuwen later: “Mon Dieu, het zouden weleens ziekteverwekkers kunnen zijn.” (Afbeeldingen van Wikipedia)

Ongezonde woningen en andere woningtypes

Huishoudboeken uit die tijd waren voor een groot deel gebaseerd op de nieuwe gezondheids- en hygiëneleer en gaven tips voor ‘de gezonde woning’. Er werd aangeraden om zoveel mogelijk lucht en licht in huis binnen te laten, omdat de zon ‘de groote bacteriën-dooder’ was. De indeling van de kamers werd ook bepaald door de ligging ten opzichte van de zon: de woonkamer kon het best op het zuiden liggen en de keuken diende zo koel mogelijk te zijn en dus op het noorden te liggen.

"Ik hoorde dat sommigen op de zon rekenden als op de groote bacteriën-dooder." Ingezonden brief in 1900 in de Delftsche Courant.
“Ik hoorde dat sommigen op de zon rekenden als op de groote bacteriën-dooder.” Ingezonden brief van Dr. B.E. Scheltema in de Delftsche Courant, 1900. (Bron)

“Maar daargelaten dat de zon niet altijd schijnt” en dat in die tijd trouwens de meeste mensen een woning toegewezen kregen, was er niet altijd keus.

Door de industrialisatie waren veel mensen van het platteland naar de steden getrokken, op zoek naar werk in de nieuwe industrie. De grote steden waren overvol geraakt en er heerste woningnood. Huisvesting was voor 1900 nog geen taak van de overheid en de door particulieren gebouwde wijken waren vaak bar slecht. De huizen waren goedkoop, klein en donker.

In 1901 werd in Nederland de Gezondheidswet aangenomen. Hiermee werd de basis gelegd voor verbetering van de toestanden op het gebied van de volksgezondheid en de volkshuisvesting. Er werden speciale commissies ingesteld die krotwoningen dienden te inspecteren, met het gevolg dat veel van die krotwoningen onbewoonbaar werden verklaard. In datzelfde jaar werd ook de Woningwet aangenomen, met het doel zowel de bouw en bewoning van slechte en ongezonde woningen onmogelijk te maken, alsook de bouw van goede woningen te bevorderen. De eerste woningbouwwoningen werden gebouwd.

De grootte van het woonoppervlak en het aantal vertrekken en verdiepingen verschilde per stand. Een arbeiderswoning was anno 1900 meestal niet groter dan 20 à 30 vierkante meter en telde slechts 1 of 2 kamers. Achterin de woning bevond zich een spoelhok met koudwaterkraan of waterpomp. Slapen werd gedaan in bedsteden. Er waren geen aparte slaapkamers, er was geen keuken en er was al helemaal geen badkamer.

Het leven van alledag speelde zich af in de achterkamer. In de winter, als de kachel in de achterkamer brandde, werd er ook op die kachel gekookt. ’s Zomers, als de kachel uit was, werd er een petroleumstel op de koude kachel gezet en werd daarop gekookt.

Met de nieuwe inzichten omtrent hygiëne werd deze kookpraktijk echt een faux pas in de ogen van de volkshuisvesters. Ze meenden dat kookdampen in het toch al benauwde woonvertrek niet bijdroegen aan een gezonde atmosfeer. Vanaf de jaren 20 werd daarom een aparte keuken in elke nieuwbouw arbeiderswoning geplaatst. Dit leverde echter weer een nieuw, nog groter probleem op. De arbeidersvrouwen in de bestaande woningen wilden niet achterblijven en promoveerden hun spoelhok tot keuken.

Het spoelhok was bedoeld voor alles wat met water te maken had: wassen, afwassen, ontlasten. Grenzend aan het spoelhok, of soms gewoon naast de gootsteen, bevond zich de ‘poepdoos‘.

Je begrijpt waarom het onwenselijk was om in deze ruimte voedsel te bereiden.

Vrouw kookt op kachel in 1949. Spoelhok met gootsteen en poepdoos, 1933.
Links: vrouw kookt wijselijk op de kachel en niet in het spoelhok, anno 1949. Rechts: spoelhok met gootsteen en poepdoos, 1933. (Afbeeldingen uit Honderd jaar wonen in Nederland)

De jaren 20

Vanaf de jaren 20 worden eindelijk voor het eerst op grote schaal kwalitatief goede arbeiderswoningen gebouwd. De grootstedelijke volkshuisvestingsprojecten zijn weliswaar revolutionair in het opnemen van slaapkamers (bedstedes waren ook onhygiënisch verklaard), kookkeuken en wc in arbeiderswoningen, maar van een badkamer is op dit punt nog geen sprake.

De Kiefhoek, het wijkje in Rotterdam waar ik het in mijn vorige artikel ook over heb gehad, was een van deze revolutionaire huisvestingsprojecten. Kiefhoek is extra speciaal, omdat het bedoeld was om de allerarmste klasse wat op te trekken door ze door een heuse architect ontworpen woningen aan te bieden. Tijdens de ontwerpfase van de woningen was er een hevige discussie over of de douche bij het toilet, die architect J.J.P. Oud oorspronkelijk in zijn ontwerp had opgenomen, niet een overbodige luxe was. De middenstand had niet eens badkamers! En dit waren immers maar woningen voor luttel plebs. Uiteindelijk zijn de douches en ook de geplande wastafel, strijkplank en doorgeefkast weggelaten. Wel werden er maar liefst drie slaapkamers gerealiseerd: een voor de ouders, een voor de meisjes en een voor de jongens.

Plattegrond van woning in Kiefhoek, ontworpen door J.J.P. Oud, 1925-1930.
Plattegrond van woning in Kiefhoek, Rotterdam, ontworpen door J.J.P. Oud, 1925-1930. Beneden is er een woonkamer, een kleine keuken en een apart toilet, boven 3 slaapkamers. Compact, maar praktisch. (Bron)

De Kiefhoekkeuken was simpel ingericht met een koudwaterkraan, een granito werkblad, een opbergkast en wat planken.

Keuken in museumwoning Kiefhoek, Hendrik Idoplein 2.
Keuken in museumwoning Kiefhoek, Hendrik Idoplein 2. (Foto’s door Noortje Trompper.)

De badkamer

Voor het wekelijkse warme bad konden de stadsbewoners naar de gemeentelijke badhuizen. Alternatief voor het badhuis was thuis badderen in een teil met opgewarmd water (dat bij de stoker gehaald werd of zelf op de kachel werd verwarmd). De kraan boven de gootsteen in de keuken bleef tot ver in de jaren 50 vaak de enige (koudwater)kraan in huis. Met de komst van de geiser die voor warm water zorgde, improviseerden velen in de jaren 60 een douche in of bij de keuken.

Alleen de hogere middenstand had woningen met op de eerste verdieping niet alleen slaapkamers (wat dus ook voor de lagere standen nu steeds gebruikelijker werd), maar ook een kamer met vaste wastafel met warm water en soms zelfs een badkuip. Het warme bad in de keuken nemen was vanzelfsprekend beneden hun stand. Een badkamer was een luxe die pas ver na de Tweede Wereldoorlog ook voor de lagere klassen standaard werd en de inmiddels gebruikelijke combinatie van slaapkamer en badkamer op de eerste etage is dus naar voorbeeld van de hogere middenstand.

De tweede keukenrevolutie: efficiëntie

Toen in het begin van de 20e eeuw eenmaal was vastgesteld dat in iedere nieuwbouwwoning een aparte keuken moest worden gebouwd, was de volgende logische vraag hoe deze het best in te richten.

Wederom speelde de industrialisatie hierbij een rol, maar ook het groeiende tekort aan dienstboden was van invloed. De arbeidersvrouw had het altijd al zonder dienstbode moeten doen, maar ook in de middenstand kwam de huisvrouw nu steeds vaker alleen voor het huishouden te staan.

Taylorisme en keukenrationaliteit

Rond 1900 analyseerde de Amerikaan Frederick Winslow Taylor fabrieksmatige productieprocessen en probeerde met ‘scientific management’ de arbeidsproductiviteit te verhogen. De Amerikaanse huishoudeconoom Christine Frederick pikte Taylors ideeën op en paste ze toe op het huishouden.

Ze bracht de dagelijkse bezigheden van de huisvrouw onder in systemen en werkschema’s en onderzocht methoden waarmee het werk in de keuken zo snel en handig mogelijk uitgevoerd kon worden. De keuken moest worden voorzien van de nieuwste technieken en zo worden ingericht dat er zo min mogelijk handelingen en inspanningen nodig waren.

Household engineering C Frederick
Links een inefficiënt ingedeelde keuken met looproutes. Rechts een effeciënte indeling van de keuken. (Afbeeldingen uit het boek ‘Household Engineering’ van Christine Frederick.)

Zowel vrouwenbewegingen als architecten hielden zich met de kwestie van het verlichten van de huisvrouwenarbeid bezig. De keuken werd opeens het favoriete onderwerp van de Europese avant-gardistische architectuur. Bijna alle grote architecten stelden in de jaren 20 hun ideeën op het gebied van de sociale woningbouw en de vormgeving van keukens bij.

Christine Frederick en Margarete Schutte-Lihotzky
Links: Christine Frederick. Rechts: Margarete Schütte-Lihotzky (Afbeeldingen van Wikipedia en Pinterest)

Hoogtepunt van deze ontwikkeling was de door Margarete Schütte-Lihotzky ontworpen ‘Frankfurter keuken’. Margarete Schütte-Lihotzky was niet alleen de eerste vrouwelijke Oostenrijkse architect, maar ook een activist in het verzet tegen de nazi’s. Wat een topvrouw.

De Frankfurter keuken

Ze ontwierp de ideale keuken op basis van een volledig geïntegreerd inbouwconcept. Dankzij het ruimtebesparende concept had de keuken niet meer dan 6,5 vierkante meter nodig. Dat was handig, want nieuwe arbeiderswoningen werden massaal voorzien van keukens met een oppervlakte van nauwelijks 4 vierkante meter. Keukens met een oppervlakte van meer dan 10 vierkante meter werden als pure luxe beschouwd.

Frankfurter keuken door Margarete Schütte-Lihotzky, 1926.
Frankfurter keuken door Margarete Schütte-Lihotzky, 1926. (Afbeelding van Pinterest)

De Frankfurter keuken werd internationaal gewaardeerd en door andere architecten als uitgangspunt gehanteerd. In Duitsland zijn er indertijd 10.000 van deze keukens geplaatst in nieuwgebouwde arbeidersappartementen.

De Bruynzeelkeuken

Het Nederlandse antwoord op de Frankfurter keuken moest komen in de Holland-keuken. In opdracht van de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen ontwierp architect J.W. Janzen in 1931 een op Nederlandse omstandigheden aangepaste versie van de Frankfurter keuken. Ondanks het initiële succes werd de keuken te duur bevonden voor algemene toepassing.

Uiteindelijk kwam Piet Zwart, in opdracht van Bruynzeel, met een modelkeuken die voldeed aan alle eisen: gestandaardiseerd, praktisch, efficiënt en betaalbaar. De Piet Zwart-keuken kon als een bouwdoos van standaardelementen worden samengesteld, passend bij de woning en de oppervlakte van de keuken. De Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen was enthousiast en ook veel architecten waren lovend.

In de wederopbouwperiode werden sociale woningen en masse voorzien van deze keuken.

Links: Holland-keuken van J.W. Janzen, 1933. Rechts: Piet Zwart's eerste keukenontwerp voor Bruynzeel, 1938.
Links: Holland-keuken van J.W. Janzen, 1933. Rechts: Piet Zwart’s eerste keukenontwerp voor Bruynzeel, 1938. (Afbeeldingen van Pinterest)

Locatie van de keuken

Niet alleen de indeling van de keuken, maar ook de indeling van de woning wordt een hot item. Wat is de ideale indeling van nieuwbouwwoningen? Wat is de ideale locatie van de keuken?

De plattegrond van elk woningontwerp hoorde zich te kenmerken door ‘beknoptheid’, hoe ruim het huis ook was. Dat wil zeggen dat de loopafstanden tussen de verschillende kamers zo kort mogelijk moesten zijn. Als er personeel in dienst was, dienden de ‘verkeerswegen’ in huis bovendien zo gelegd te worden dat de gezinsleden en het personeel elkaar niet voortdurend tegenkwamen.

De plattegrond van het prototypische middenstandshuis bestond uit een voor- en achterkamer, die door suitedeuren gescheiden waren en een gang die van de voordeur langs de suitekamers naar de keuken achterin het huis liep. In de gang bevonden zich onder de trap naar de eerste verdieping de deur van de kelderkast en die van het toilet.

Drie voorbeelden met bouwjaar van klassieke plattegrond van de begane grond in middenstandshuizen.
Drie voorbeelden van (grotendeels originele) klassieke plattegrond van de begane grond in middenstandshuizen. Anno 1867, 1913 en 1933. (Afbeeldingen van Funda)

De gang was niet alleen de verbinding van voor naar achterin het huis, maar vormde ook de verbindende schakel tussen de twee werelden, die elkaar bij de voordeur ontmoetten. Dagelijks kwamen de bakker en de melkboer, en vaak ook de groenteboer en de kruidenier, aan de deur. In de kelderkast konden de dagelijkse leveranties opgeslagen worden. Ook kon er gedurende de dag aangebeld worden door kwitantielopers, die allerlei rekeningen, waaronder de huur, persoonlijk kwamen innen.

Deze indeling, met de keuken achterin het huis, en dit heen-en-weergeloop van de huisvrouw door de gang, was tot ver in de jaren 60 een zeer veel voorkomende… gang van zaken.

(Niet alleen was dat een treffende woordgrap, maar het was ook wel een beetje ironisch dat er zoveel aandacht was besteed aan het ontwerpen van een uiterst efficiënte keuken, waar de huisvrouw minimale bewegingen en inspanningen hoefde te leveren, om haar vervolgens elke dag meerdere malen de hele gang op en neer te laten bewandelen.)

De locatie achterin het huis, met een deur naar balkon of tuin, was ook handig voor het keukenafval en de ventilatie van de ruimte.

Met de bouw van de vele galerijflats in de jaren 60 raakte de omgekeerde woningplattegrond, met de keuken naast de voordeur aan de galerij, populair. De omgekeerde woningplattegrond werd vervolgens ook steeds vaker bij eengezinswoningen toegepast.

De tweede helft van de twintigste eeuw

Na de bevrijding begon een nieuw tijdperk, waarbij belangrijke thema’s ruimte, licht en flexibiliteit waren. Psychologisch gezien is het niet zo gek dat men na de sombere oorlogsjaren een voorkeur had voor licht en kleur. Ook was er in de jaren van de wederopbouw een voorkeur ontstaan voor flexibele ruimtes, die  makkelijk heringericht konden worden en meerdere doeleinden konden dienen.

Desondanks was een open verbinding tussen de eetkamer en de keuken tot aan de jaren 60 echt nog ondenkbaar. Ook je maaltijd nuttigen op een andere plek dan aan de eettafel was trouwens not done.

Maar langzaamaan treedt een informalisering in van zowel het openbare als het huiselijke leven. De opkomst van supermarkten maakt het overbodig dat de melkboer langs de deuren gaat. De dienstbode, die al zo schaars was geworden in de eerste decennia van de 20e eeuw, sterft nu vrijwel uit. Huishoudelijke apparaten als koelkasten en wasmachines rukken op. De standaard Bruynzeelkeuken krijgt concurrentie van de Amerikaanse keuken. Welvaart neemt toe.

De derde keukenrevolutie?

Gaandeweg worden eengezinswoningen groter en in plaats van te huren, kopen steeds meer mensen een huis. Bezat in 1955 ongeveer 28% van de bevolking een eigen woning, in 1999 was dat 51%.

Er ontstaan vrijere ideeën over het moderne interieur. De consument heeft meer en meer te besteden en steekt dit voor een groot deel in zijn huis. Maar het (her)inrichten van het huis wordt niet meer uitbesteed aan een interieurarchitect. Zelf verbouwen en zelf het huis inrichten en aldoor opnieuw inrichten naar de nieuwste trend begint een geliefde vrijetijdsbesteding te worden.

Huiseigenaren hanteerden in de jaren 60 stevig het breekijzer. Schuifdeuren tussen woon- en eetkamer en keukenmuren werden en masse weggesloopt.

Drie voorbeelden van verbouwde plattegrond van de begane grond in middenstandshuizen. Anno 1895, 1902 en 1927.
Drie voorbeelden van verbouwde plattegrond van de begane grond in middenstandshuizen. Anno 1895, 1902 en 1927. (Afbeeldingen van Funda)

In de plattegronden in de afbeelding zie je nog de schaduw van de originele indeling, maar het resultaat is een grote ruimte waar woonkamer, eetkamer en keuken in elkaar overvloeien – en soms de gang ook. De keuken mag tegenwoordig eigenlijk overal geplaatst of naartoe verplaatst worden en krijgt vaak zelfs een zeer prominente plek in huis, zoals op de middelste plattegrond te zien is.

Keukens veranderen steeds meer van werkruimte naar het hart van het huis.

Behalve flexibiliteit en ruimtewinst had de open keuken het voordeel dat de huisvrouw zich niet geïsoleerd hoefde te voelen in een afgesloten keuken. Vanuit de (half)open keuken bleef ze in direct contact met gezin of gasten. Kinderen konden in de gaten gehouden worden. Dit wordt vaak als een van de belangrijkste redenen aangedragen voor een open keuken.

Vanaf eind jaren 60 worden in steeds meer nieuwbouwwoningen open keukens toegepast – omdat de bewoner het wil, maar óók om de bouwkosten te verlagen. Eind jaren ’80 dienen zelfs de eerste geheel indelingsloze woningen zich aan, met alleen een indicatie voor badkamer en keuken, zodat bewoners ze zelf kunnen indelen. Alsof de architect zoiets had van “zoek het dan ook maar zelf uit ook”.

Gaat het nu eens afgelopen zijn met de open keuken?

We komen dan nu eindelijk tot de kern: mijn – technisch onderbouwde – afkeer van open keukens. De open keuken ís ongekend populair, maar zou dat nu zo stilletjes aan maar eens niet meer moeten zijn. Naast de enkele voordelen (ruimtelijkheid, gezelligheid), zijn er ook nadelen.

De belangrijkste reden om een open keuken te willen is contact met familieleden en in de gaten kunnen houden van kleine kinderen. Daar kan ik slechts één ding tegen inbrengen: de keuken is een van de gevaarlijkste plekken in huis voor kleine kinderen. Het fornuis, scherpe messen, heet water, giftige schoonmaakspullen… Persoonlijk zou ik graag de keuken kunnen afsluiten voor eventuele rondneuzende kleine kinderen.

Maar ook als je katten hebt is het handig om de deur te kunnen sluiten.

Goed, dan de bezwaren van 100 jaar geleden: geuren en geluiden. Natuurlijk hebben we nu afzuigkappen die de ergste dampen en etensluchten kunnen afvoeren. Maar tóch zet je je frituurpan liever op het balkon of in de tuin dan in je open keuken.

Het is gezellig om met elkaar te kunnen kletsen vanaf de bank en vanuit de keuken. Maar in de praktijk zit de een tóch vaker tv te kijken terwijl de ander staat te koken en moet je de tv steeds harder zetten als de kraan aanstaat of als er met pannen gekletterd wordt.

En dan, na het koken, heb je de afwas nog. Natuurlijk is het het fijnst om een opgeruimde keuken te hebben en dus na elke maaltijd meteen af te wassen, maar zeg nou zelf: dat doet toch niemand? Een open keuken is wat dat betreft unforgiving. Bij een dichte keuken sluit je gewoon de deur. Afwassen komt later wel.

Om ook nog even terug te komen op efficiëntie: een kleine keuken is gewoon efficiënter dan een grote, open keuken. Het ontwerp van Schütte-Lihotzky was niet voor niets zo compact: hoe kleiner de ruimte, hoe dichterbij alles staat, hoe minder afstand er afgelegd hoeft te worden en, ook niet onbelangrijk, hoe makkelijker schoon te houden.

Naast deze hinderlijkheden is er nog de kwestie van energieverbruik. Één grote kook-, eet- en woonruimte is een stuk moeilijker warm te houden of af te koelen dan verschillende kleinere ruimtes. Een af te sluiten keuken hoeft zelfs helemaal niet verwarmd of gekoeld te worden wanneer je er niet bezig bent. Daarbij werken meerdere kleinere ruimtes isolerend. En wat is er moderner dan een goed geïsoleerd huis?

Zijn kleinere, knusse ruimtes niet ook veel gezelliger dan die grote, galmende balzalen van kook/eet/woonruimtes? Ik vind van wel.


Bronnen:

De keuken: geschiedenis, cultuur, design, door Rita Mielke (2004)

Woonrituelen in: Honderd jaar wonen in Nederland 1900-2000, door Irene Cieraad en anderen (2000)

The Case for Rooms door Kate Wagner

Meer lezen:

Smart before there was smart: the Frankfurt kitchen door Jaime Heather Schwartz

How big should your house be? door Kate Wagner

To renovate or not to renovate? door Kate Wagner

Why the kitchen of the future always fails us door Rose Eveleth

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s