Katendrecht, Rotterdam

Verhalen van de Kaap

O.: “Op Katendrecht werd je door de hele omgeving genegeerd natuurlijk. Want ja, wij waren eigenlijk sletjes, zo noemden ze ons. Ja, want als je een baan ging zoeken moest je niet zeggen dat je van Katendrecht af kwam, want dan kreeg je niks, want het was een slechte buurt hierzo.”
G.: “Zo heb ik het nooit ervaren.”
O.: “Nou, ik wel.”
G.: “Ja, ik niet.”

(O. en G., beide 71)

Ik heb al een paar keer laten doorschemeren dat ik vrijwilligerswerk doe bij Verhalenhuis Belvédère. Aangezien er komend weekend iets leuks in de planning staat zal ik er nu eindelijk wat meer over vertellen. En ik kan eindelijk een paar quotes delen!

Een half jaar geleden kwam ik in aanraking met Belvédère door een wandeltour op Katendrecht van DitIsZuid. Na een bezoek aan de Fenixloods en Tattoo Bob was het pand aan de Rechthuislaan nummer 1 de laatste bestemming van de tour. Zodra we Belvédère binnenliepen was ik gefascineerd. Niet alleen door de architectuur en de inrichting, die compleet is ingevuld met hergebruikte tegels, houten vloeren, keukenblokken, en-suitedeuren en vintage meubilair vanuit heel Europa – ook de sfeer was gewoon heel fijn.

Catendrec, een korte geschiedenis

Belvédère kent een rijke geschiedenis (waar ik in het stuk Open Monumentendag Rotterdam-Zuid (2018) wat meer over vertel), net als de rest van Katendrecht. Het pand werd gebouwd in 1894, het laatste jaar dat Katendrecht een zelfstandige gemeente was. Katendrecht is dan nog een idyllisch en welvarend dorp, omringd door polders. Vooraanstaande Rotterdamse families hebben hier hun buitenverblijven, waar zij de zomermaanden doorbrengen.
Een jaar later wordt Katendrecht samen met de gemeente Charlois geannexeerd door Rotterdam voor de uitbreiding van de haven. De Maashaven en de Rijnhaven worden uitgegraven en Katendrecht wordt een schiereiland.

Katendrecht tussen 1920-1930
Katendrecht tussen 1920-1930 (Bron)

In korte tijd verandert het voormalige polderdorp naar havengebied. Er wordt van alles gesloopt: huizen, boerderijen, scholen, de kerk. Duizenden bewoners verlaten het gebied. Er worden loodsen, silo’s, arbeiderswoningen, kroegen en boardinghuizen voor de zeelui gebouwd. De meeste mensen die op Katendrecht wonen, werken in de haven.

Dan gaan in 1911 de Rotterdamse zeelieden in staking. Als reactie op de staking worden er Chinezen naar Katendrecht gehaald.  Zij vestigen zich op Katendrecht en vormen het begin van de allereerste Europese Chinatown. In 1922 telt Katendrecht al 16 Chinese boardinghuizen, waar niet alleen wordt overnacht, maar ook wordt gegokt en opium wordt gerookt.

“Mijn oma heeft vroeger wel bij Chinezen gewerkt. Mijn oma was heel jong toen ze haar man verloor. En ja, er moest eten op de plank komen natuurlijk. En ja, sociale dienst en zo was er wel, bijstand, maar hele kleine beetjes. En ze had natuurlijk wel zes kinderen. Toen ging ze in een boardinghuis werken. Bij Nanking, daar maakte ze schoon en dat kon ze goed, maar ze deed ook nog wat anders, want als de inval kwam van de politie voor het opiumsmoken wat ze daar deden, dan nam zij de blokken opium in de emmer met een dweil erover en liep zij Nanking uit, naar de waterstoker zogenaamd. En nam zij die blokken opium mee, zodat ze niet hun voorraadje kwijt waren.
Kijk, ze werden wel gepakt natuurlijk, want ze lagen daar half stoned op zo’n bed. Maar ze waren in ieder geval niet hun voorraadje opium kwijt. En daar kreeg ze ook altijd wel voor betaald hoor, als ze dat had gedaan. Maar mijn oma heeft daar eigenlijk, zei ze altijd: “Ja ik heb mijn leven, en dat mijn kinderen het goed hadden, te danken aan de Chinezen.” Ja, die waren heel blij met haar. Ja, ze kreeg er ook wel, voor die tijd natuurlijk, goed voor betaald. Die Chinezen gokten natuurlijk en dat geld wat op de grond lag, mocht zij ook houden.” (S., 63)

Niet alle Chinezen gokten en rookten opium, maar ze stonden er wel om bekend.

Kung Wo en Quong Lee & Co, Delistraat
Kung Wo, Chinees restaurant en boardinghuis, Delistraat 24

Daarnaast zorgen de bedrijvigheid van de haven, het af- en aankomen van zeelieden en de vele kroegen en eetgelegenheden voor een levendige sfeer. Dames van lichte zeden (ook wel ‘tantes’ of ‘meisjes’) vinden hun klanten in de cafés.

Als in 1940 het centrum van Rotterdam wordt gebombardeerd verplaatst het gehele uitgaansleven van Rotterdam zich naar Katendrecht. Tijdens de Tweede Wereldoorlog is het dankzij de prostitutie verboden voor Duitsers om Katendrecht te bezoeken. Dit heeft als voordeel dat het voor Rotterdammers een soort veilige haven is. Jazzmuziek is verboden, maar wordt hier volop gespeeld. En niet alleen feestgangers, maar belangrijker nog: Joodse onderduikers kunnen er terecht. Zo hebben ook in Belvédère onderduikers gezeten.

De meeste mensen hebben het niet breed, maar dat zorgt ook voor saamhorigheid. En voor diefstal, waar Katendrecht inmiddels ook om bekend staat.

“Wij hebben het thuis wat dat betreft helemaal niet zo slecht gehad. Zover ik natuurlijk kan nagaan. Ik was drie toen de oorlog… In die tijd weet ik niet. Want ik weet wel dat mijn vader hongeroedeem heeft gehad, in de hongerwinter. Ja. Maar we hebben het eigenlijk, wat dat betreft, niet zo slecht gehad. Mijn broer Joop, die heeft toen in die broodfabriek gewerkt. En lopen stelen. Wie appelen vaart, die appelen eet. Toch? Die werkte daar. Dan ging hij met mijn vader samen, ging ‘ie op roof. Gingen ze een baal bloem jatten voor thuis. Konden ze thuis brood bakken.
Maar die bracht ook weleens, in die tijd, van die lege baaltjes mee, van die witte baaltjes, weet je wel, waar bloem in zat. Maar dan waren ze leeg, hoor. En die waren dan bedrukt met rood, of letters, of blauw. En mijn moeder deed dat in bleekwater, die letters eruit weken. Die vrouw was zó handig met alles en altijd en nog wat. En die had zo’n trapnaaimachine van Singer. En als dan die baaltjes schoon waren, dan ging ze knippen en weet ik veel allemaal en onder die naaimachine en daar maakte ze kleding voor ons van. Dus wij liepen in begin jaren 50 met die baaltjes om ons heen. En niemand die het zag.” (D., 76)

“En zo zijn we eigenlijk een beetje opgegroeid. Ja, niet te breed eigenlijk. Altijd wel een beetje in de armoede. Maar we hadden wel armoe, maar wel veel liefde. En dat was eigenlijk achteraf bekeken, eigenlijk nog meer waard als al dat geld wat je nu allemaal ziet. Want liefde, dat kon je in wezen niet kopen en dat hebben we enorm gehad.” (P., 82)

Tot 1970 zijn de prostituees gewoon medebewoners op Katendrecht. Het is gewoon vanzelfsprekend dat ze er zijn. Iedere Kapenees heeft wel herinneringen van een familielid of een buurman die een kamer verhuurde aan een meisje.

“Mijn oma woonde in de Atjehstraat en die verhuurde kamers aan de meisjes van plezier. Zo werd dat vroeger genoemd. En aan de overkant had je een groenteboer, die heette De Winter. En op de hoek had je een kaaswinkel, Kazius.” (O., 71)

Het was zo normaal, de aanwezigheid van de meisjes van plezier, dat het in één adem met de groenteboer en de kaaswinkel genoemd wordt.

“Iedereen was echt je tante. En als je dan aan het buitenspelen was, dan wouden ze weleens vragen of je een boodschapje voor ze wou doen en dan kreeg je weer centjes van die vrouwen. Nou ja, en wij hadden natuurlijk al gauw door dat we altijd wel centjes kregen, dus op een gegeven moment gingen we ook gelijk met onze rapporten langs. Dus ja, we hadden vroeger altijd heel veel centjes van de prostituees.” (D., 48)

Bijna alle Kapenezen die zijn opgegroeid met de meisjes herinneren zich klusjes doen voor een zakcentje.

“Op den duur, ja, ik had meer geld in mijn zak dan mijn vader heel de week verdiende. Had ik op één dag verdiend. Want ik heb ook nog kapotjes uitgewassen. Ja, heb ik ook nog gedaan, kapotjes uitgewassen. Kreeg ik twee kwartjes voor een kapotje. En ze waren bij de drogist toen een gulden en ik kreeg toen twee kwartjes per stuk voor een uitgewassen.” (K., 63)

Mééstal ging het om een paar boodschappen halen, maar dit bijzondere klusje werd ook gedaan.

Er is in die tijd veel sociale controle. Iedereen altijd buiten en iedereen kent elkaar. Als je als kind rottigheid uithaalt, is de kans groot dat een van de tantes het aan je ouders vertelde.

“Geen ene Kapenees is bang geweest hiero. Nog nooit. Geen ene Kapenees, is bang geweest hiero. Je vertrouwde er gewoon op, je eigen wijkje, je voelt je gewoon veilig hier. En iedereen beschermt je. Want dat was zo.(K., 63)

prostitutie katendrecht

De sfeer verandert – verhardt – als bordeelhouders en souteneurs naar Katendrecht komen. Er worden panden opgekocht, meisjes komen achter het raam te zitten, seks wordt op een steeds agressievere manier verkocht. In 1972 zijn er maar liefst 121 bordelen. Harddrugs zijn volop aanwezig. Deze ontwikkelingen maken de sfeer een stuk grimmiger. Veel mensen met kinderen verhuizen weg uit Katendrecht. Overgebleven bewoners verzetten zich tegen de overlast die de prostitutie nu oplevert. In deze tijd komt het regelmatig tot gevechten tussen souteneurs en actievoerders.

“Het was behoorlijk knokken, hoor, met die pooiers. Nou, het werd te gek, hè? Want de Schiedamseweg werd gesloten, die publieke vrouwen. En het hele zooitje kwam naar Katendrecht. Nou, dat is een mooie toestand geworden, hoor. Dat is in de jaren zeventig geweest.
Er waren vechtpartijen bij het leven. Nou. Wat we deden? Ja, ik heb een pooier helemaal in elkaar geslagen. Kwam de politie erbij.
Ja, was echt niet normaal. Had je die souteneurs, die huurden er zo’n woning en die douwden ze vol met publieke vrouwen.” (B., 88)

En niet alleen de prostitutie, maar ook de slechte staat van de woningen en woonomgeving hebben aandacht nodig. De Actiegroep Redt Katendrecht, Areka, wordt opgericht om de situatie op Katendrecht te verbeteren. Onder druk van Areka voert de gemeente Rotterdam beleid in om de prostitutie aan te pakken en de woningen op te knappen. Tijdens deze periode van stadsvernieuwing, die van 1975 tot 1990 duurt, worden 850 woningen gerenoveerd en bijna net zoveel nieuwbouwwoningen gebouwd.

Desondanks is Katendrecht in de jaren 90 een troosteloze wijk. Niemand verhuist er moedwillig heen. Veel van de bedrijvigheid is verdwenen en er worden ‘probleemgevallen’ die nergens anders in Rotterdam terecht kunnen naar Katendrecht verplaatst. De wijk is een getto geworden.

Na 2000 wordt Katendrecht opnieuw onder handen genomen. Er komt meer nieuwbouw en oude panden worden gerenoveerd of beschikbaar gesteld als kluswoningen. Met de actie ‘Kun jij de Kaap aan?‘ wordt de wijk onder de aandacht gebracht om nieuwe bewoners aan te trekken.

“Het huis was verschrikkelijk. Het was echt… het is een sociale huurwoning geweest, dertig jaar lang totaal uitgewoond, uitgeleefd. Het huis was een gribus. Er zat geen vloer in, niks niet. Maar ja, die woning was vierentachtigduizend euro, dus ja, daar is de prijs ook naar.
Maar dat uitzicht was eigenlijk wat mij… ja, daar werd ik zo enthousiast van en… ja, natuurlijk, je bent ook zo bij de metro en zo. Je hebt het Deliplein om de hoek. Dus wat dat betreft is het echt een hele goede locatie.”
(K., 32) Een nieuwe bewoner over zijn kluswoning in de Atjehstraat.

Katendrecht nu

Tegenwoordig is Katendrecht een van de veiligste wijken van Rotterdam. De wijk is zo populair dat wonen op de Kaap langzaamaan onbetaalbaar wordt voor de oude bewoners. Huurhuizen worden verkocht en de prijzen blijven stijgen. De indruk bestaat dat oude bewoners moeten wijken voor nieuwe bewoners. Ook wordt vaak gezegd dat de nieuwe bewoners een ander slag mensen is – van die mensen met bakfietsen – die geen interesse hebben om zich te mengen met de oude bewoners. Maar ook andersom lijken sommige Kapenezen niets te moeten weten van die nieuwelingen.

“Ik moet eerlijk zeggen, dat ik me momenteel kapot kan ergeren aan mensen die vroeger hun neus optrokken voor Katendrecht. Hè, want dat deugde voor geen cent en iedereen was een hoer en een pooier. En nu weten ze verdomme niet hoe hard ze moeten lopen om op de Kaap te komen wonen.” (D., 76)

Verhalen van Katendrechters en Kapenezen

Een van de doelen van Verhalenhuis Belvédère is deze twee groepen mensen, nieuwe Katendrechters en oude Kapenezen, samen te brengen – en in het algemeen mensen bij elkaar te brengen.

Het project waar ik aan mee werk is gebaseerd op meer dan 40 interviews van (oud)bewoners van Katendrecht, die vertellen over hun leven en hun ervaringen op de Kaap. Aan de hand van de interviews worden compilaties gemaakt met een thema. Van deze compilaties is de eerste nu af en aanstaande zaterdag (10 november) wordt deze eerste aflevering ‘uitgezonden’ in Belvédère. De aflevering duurt ongeveer een half uur en focust zich op de Atjehstraat, een van de bekendste straten van Katendrecht. Het is onvermijdelijk dat ook de meisjes aan bod komen.

“Vroeger durfde je niet te zeggen waar je vandaan kwam, omdat het natuurlijk een beruchte naam was. Het was in het begin van: “Waar woon jij?” “In de buurt van de Maashaven,” zei je dan. En nu kan je het bijna tegen iedereen met gepaste trots zeggen: “Ik ben een geboren Katendrechter.” Ik vind dat leuk.”

(T., 69)


Uitnodiging luisterfeuilleton De Kaap #1

Wanneer: zaterdag 10 november om 4 uur (inloop vanaf 3:30)
Waar: Verhalenhuis Bevédère, Rechthuislaan 1, Rotterdam

 Iedereen is van harte welkom. Entree is €5, inclusief een hapje en een drankje.
Reserveren kan via de mail: reserveren@verhalenhuisbelvedere.nl


Meer:

YouTubefilmpje met Lange Dien en Ellen Zee, twee bekende Kapenezen

De website van Verhalenhuis Belvédère


Bronnen:

Historisch Katendrecht

De quotes uit de interviews zijn eigendom van Verhalenhuis Belvédère.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s